© 2018 - Created with Wix.com | Fotocredits: Wix.com, Mohamed El Nagdy (Iconfinder.com)
en instagram.com/alohaanke

BLIKVELD

Tijdens de schrijfcursus die ik in 2017 bij Papieren Helden volgde leerde ik van alles over perspectief en 'show, don't tell'. Onderstaand verhaal schreef ik als huiswerkopdracht in oktober 2017. Wil je ook (beter) leren schrijven?  Kijk dan vooral eens op de website van Schrijfcursus Amsterdam

 

Blikveld

Hedy kijkt naar de vitrine met zakjes sla. Ze kan niet kiezen. Er is zoveel keuze

tegenwoordig. Wat is er gebeurd met een simpele krop sla? Of ijsberg, vooruit?

Haar gepeins wordt ruw onderbroken door een gil vanuit een paar paden

verderop, gevolgd door een gesmoord “Oh nee!!!!” Ze draait zich om. Ze ziet

winkelende mensen, allemaal op zoek naar de ingrediënten van het avondmaal.

Net als zij trouwens. Iedereen staat stil en kijkt in de richting van de gil.

Drie seconden lang is het muisstil.

Er komt een man uit het bewuste pad rennen. “Bel 112, nú!” Een andere man,

die aan het einde van het pad bij de bonusaanbiedingen staat, pakt meteen zijn

telefoon en begint te bellen.

Wat zou er toch aan de hand zijn? De schrik slaat bij Hedy om het hart. De

paniek in de supermarkt doet haar onwillekeurig terugdenken aan negen jaar

geleden, toen ze voor haar lieve Anton ook alarm moest slaan. Hij stierf aan

een hartaanval toen ze samen langs de boulevard in Zandvoort slenterden.

Hedy snelt naar de bellende man en kijkt het pad in. “Wat kan ik doen?”

“Dat is € 29,40 alstublieft. Spaart u zegels?” Hanneke kijkt op naar de man voor haar. Hij schudt wat met z’n portemonnee. Ze krijgt drie tientjes in haar handen gedrukt, maar de man zegt niks en kijkt haar niet aan. Lekker beleefd, meneer, denkt ze. Ik ben toch geen machine?! Hier zou ze eigenlijk eens wat van moeten zeggen. Die arrogante mensen zuigen alle energie uit haar met hun afstandelijke ik-ben-beter-dan-jij-gedrag.

Net op het moment dat ze een sneer wil uitdelen komt er uit het pad met hygiënische spullen een vrouw gerend. Haar armen zitten onder het bloed. Ze heeft ogen op schoteltjes. “Een doek… Papier…. Heeft er iemand een doek?” Hanneke duwt haar bureaustoel naar achteren en rent op de vrouw af. “Wat is er gebeurd?” De vrouw herhaalt stamelend: “Een doek, snel.”

Hanneke rent naar de servicebalie en grist een grote rol keukenpapier van achter de toonbank. Al rennend scheurt ze er een flink stuk af en geeft het aan de vrouw. “Rustig maar. Kunt u mij vertellen wat er gebeurd is?” De vrouw trekt de hele rol keukenpapier uit Hannekes handen en rent alweer bij haar vandaan. Hanneke snelt achter haar aan, het pad in. Haar hart bonkt in haar keel. Er zou toch niet iets met Daan zijn?

Daan is haar teamleider. Hij is zo’n vier jaar ouder dan zij en hij nam Hanneke aan toen ze kwam solliciteren. Hij is het type man dat haar de adem beneemt. Eentje waarvan ze moet blozen als een puber. Wat ze dan ook vaak doet als hij haar kleingeld komt brengen, of een verkeerde aanslag op de kassa moet herstellen. Ze denkt dat Daan haar ook leuk vindt, maar daar is ze niet zeker van. En dus blijft het bij lief kijken en de ideale collega uithangen. Oh god, er zou hem toch niets zijn overkomen nu? Wat gaat ze aantreffen, twintig meter verderop?

 

Bij de bakkersafdeling staat Luis als aan de grond genageld. Daar ligt vast iemand dood te gaan. Straks vragen ze hem nog om iets te doen. Luis komt niet graag buiten. Of nou ja, hij ziet niet graag andere mensen. Of nou ja, eigenlijk ziet ‘ie liever helemaal geen mensen. Van mensen krijgt hij een verhoogde hartslag. En zweet, over z’n hele lijf.

Hij kan zich niet herinneren wanneer het begon. Het als net dat ene verhaal van de kikkers in het steeds warmer wordende water. Ze hebben pas door dat het te warm is als ze er niet meer uit kunnen. Als het te laat is, dus. ‘Pleinvrees’ noemt de psycholoog het. Maar voor pleinen heeft Luis geen vrees, voor mensen wel. Nadat hij bij zijn laatste baan enorm vernederd werd door twee collega’s tijdens een medewerkerbijeenkomst, heeft hij zich een tijdje ziek gemeld. Het trof hem zo zwaar, dat hij niet kon werken. Hij kreeg al hoofdpijn bij de gedachte. Na een paar weken thuis zitten, merkte hij dat de stap om weer terug te gaan naar kantoor te groot was geworden. Hij vond het sowieso steeds moeilijker om mensen onder ogen te komen. Zeker nieuwe mensen. Het bezoeken van de bioscoop of supermarkt werd een steeds grotere opgave. Na een half jaar besloot Luis dat het genoeg was. Zijn huisarts verwees hem door naar een psycholoog. En nu, na een serie gesprekken met hem, durfde Luis weer een bezoekje te brengen aan de Appie om de hoek. Toen hij de schuifdeuren door wandelden, voelde hij een lichte trots zijn lijf binnen dringen. Maar die trots verdwijnt nu als sneeuw voor de zon. Er ligt iemand dood te gaan in deze supermarkt. Dat weet Luis zeker. En het idee dat iemand hem zometeen gaat vragen ook iets te doen, doet hem doodsangsten uitstaan. Hoe komt hij ongezien naar buiten?

 

“Aaaaaaaahhh, waaaaaaaarom nuuu? Aaaaaaaaaaaauuuuuuuuuuuwwwwww!!!!” Emilie schreeuwt het uit. “Rustig maar, rustig maar. Kalmte kan je redden, meissie.” Er zit een wildvreemde dame naast haar. Ze doet haar uiterste best om Emilie rustig te houden tot de ambulance er is. “Ik heet Hedy trouwens. Hier, pak mijn hand. Knijp er maar in als je weer pijn krijgt. Ik kan heel wat hebben.”

Emilie kan het wel uitschreeuwen. Ze was zo bang dat dit zou gaan gebeuren. Dagenlang bleef ze thuis ‘voor het geval dat’. Toen ze zag dat er voor die avond nog geen eten in huis was, besloot ze even naar de winkel te gaan. Het zou immers laat worden voordat Sjoerd thuis zou zijn. Er moest iets lekkers op tafel komen vanavond, vond ze. Maar kennelijk gaat het nu gebeuren. In de supermarkt. Tussen de ingeblikte boontjes. Sjiek.